|
Een e-mail sturen? Het e-mail adres is alex@denouden.demon.nl (klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen) |
Terug naar de startpagina van Sport en Recreatie |
|---|
Jan van der Sluis schreef:
Ik woonde aan de Molenweide op Vreewijk en ging dus naar het kakschooltje op de Mare. Het was net gaan vriezen en er lag al wat ijs op het water. Dat was natuurlijk nog veel te dun om er op te gaan. Een stel "grote" jongens hadden een goeie manier bedacht om te zien of het ijs al droeg. Ze stuurden zo'n kleutertje als ik het ijs op om uit te vinden of je er al op kon. Hoe je dat klein mannetje zo ver kreeg? Nou in mijn geval hoefde je alleen maar te zeggen dat ik niet durfde. O nee? Niet durreve? Hup, het ijs op. Hup er door heen. Niet diep, hoor, want ik ging er al vlak aan de kant door.
IJskoud, zijknat en bibberend van de schrik en de angst wat me van mijn moe boven het hoofd hing, op een draf naar huis. Schuin aan de overkant van ons woonde de familie Slikkerveer. Mevrouw was juist het stoepje aan het vegen en vroeg verbaasd: "Hoe kom jij zo nat, Jantje?"
Op dat moment poepte ik in mijn broek. Van schrik denk ik. In die dagen droegen kinderen nog van die broeken met hele wijde pijpen en daar stond ik, jankend, en wetend dat me thuis wat te wachten stond, en ik voelde plotseling die keutel zo door mijn pijp op straat vallen. Kijk, grote jongens die droegen voor zulk soort gevallen plusfours, dat waren van die broeken waar de pijpen met een riempje strak om de kuit werden gegespt. Drollenvangers heetten die toepasselijk. Maar ik was geen grote jongen en droeg geen drollevanger.
Verstijfd van schrik bleef ik nog even staan, realiseerde me dat mevrouw Slikkerveer mij verbaasd aan stond te staren en toen vloog ik weg, naar huis, naar huis! Na 72 jaar vraag ik me nog wel eens af wat mevrouw Slikkerveer gedacht zal hebben toen ze die kleine verrassing op haar schoongeveegde straatje vond?
Thuis kreeg ik tot mijn onuitsprekelijke opluchting niet op mijn falie, want mijn moeder was veels te blij dat ik nog leefde en niet verzopen was. Over dat tweede eehh .... ongelukje hield ik stijf m'n mond.
Nevenstaande foto is van omstreeks 1950. Hij toont het houten brugje over de Lange Geer, ter hoogte van de Lange Welle. We kijken richting Breeplein. Dit bruggetje bracht Piet Varkevisser tot de volgende ontboezemingen.
Wij noemden dat bruggetje bij de Lange Welle altijd "het witte bruggetje". Als ik met mijn vader uit de stad kwam met lijn drie - hij gaf aan de Tuindersstraat zwemles en ik ging met hem mee voor een half uurtje les vooraf - mocht ik altijd pas voorbij dat bruggetje met mijn knieën op de bank op het knopje drukken. Dan stopte de tram op de hoek Groenezoom - Lange Geer en waren wij weer thuis. Ik praat nu natuurlijk over de vooroorlogse jaren, het zwembad aan de Tuindersstraat is niet meer, zoals de hele Tuindersstraat verdwenen is. Wat nu de Tuindersstraat is, lijkt er niet op.
In de oorlogsjaren hadden we in mijn herinnering altijd winter, ik was toen de oorlog uitbrak 7 jaar, dat is natuurlijk mede debet aan die schaatsherinneringen. De leeftijd dat de wereld voor je opengaat. Ik woonde tussen de Enk en de Groenezoom en het was natuurlijk geen geschreven regel maar we schaatsten altijd op het stuk van de Geer waar we woonden. Tussen de Groenezoom en de Lange Welle kwamen we niet. Alleen soms, als het lang gevroren had, wel op het stuk tussen de Enk en de Smeetlandsedijk, al was daar nooit een fijne baan.
Hoe dat kwam? Bij een lange vorstperiode, en we hadden toen niet anders, konden we wel op onze hurken onder de stenen brug van de Enk door glijden en zo op dat andere stuk terecht komen. Maar de brug van de Groenezoom was breder en waarschijnlijk was daarom het ijs daar minder betrouwbaar, het belangrijkste is in mijn herinnering dat de doorgang ook làger was.
In de jaren dat er dus die echte winters waren, waren er ook altijd echte baanvegers. Baanvegers die, als het donker was, aan de deur kwamen om een gieter warm water te vragen, waarmee ze de scheuren in het ijs repareerden. De Geer werd door hen altijd geveegd en met het veegsel van de eerste ijsdagen werd in het midden een rand gemaakt, zodat een heen-en-terug baan ontstond.
Aan de kant van de Enk was een groot wak, dat open gehouden werd en waar we naar de vissen keken die zich daar verzamelden, kennelijk omdat het water daar zuurstofrijker was. Aan de kant van de Groenezoom was de koek-en-zopie tent waar we weleens iets konden besteden, een dagelijkse snoeppartij werd dat nooit, "zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen", was een gevleugeld woord in die jaren, bij ons tenminste.
Zo'n lange winter vraagt heel wat van het ijs en het dichtgieten van scheuren is dan niet immer een afdoende oplossing. Wat keken we jaloers naar het gedeelte van de Geer tussen de Groenezoom en de Lange Welle - gemarkeerd door het bewuste bruggetje - toen we daar ineens wit ijs zagen. Nou ja, wit, laten we zeggen, een stuk lichter van kleur dan we gewend waren. En glad dat het was!
Wat was er gebeurd? De bewoners hadden op een avond hun tuinslangen, gieters en wat al niet in stelling gebracht en het ijs onder water gezet. Na een nacht vriezen hadden zij weer een prachtige baan. En wij gingen er niet schaatsen! De mores die ik eerder al aanhaalde, weerhield ons daarvan.
Er was die jaren ook altijd sneeuw en we zoefden met onze sleeën dagenlang de schuine taluds af, zo het ijs op. Dat mocht natuurlijk niet bij de geveegde baan, maar aan de kant van de Enk was een gedeelte waar het wel kon. Altijd uitkijken! want daar lag ook dat grote wak.
Wat kregen we op ons kop, toen we eens waren gaan schaatsen na een paar dagen dooi. Wij geloofden dat dat best kon, alleen het ijzer van onze schaatsen zou toch in het water komen, onze schoenen zouden dus wel droog blijven. Dachten we. Maar dat pakte even anders uit. We kwamen achterom thuis, de schaatsen nog aan onze voeten, een vloek op zich, met schaatsen over een koolaspad lopen. Doordat die oranje banden nat waren, kregen we echter de knopen er niet meer uit, zodoende. Op het achterpad stonden onze drie moeders met elkaar te praten, ze wisten helemaal niet dat we waren gaan schaatsen: "Jullie lijken wel gek! Je kunt wel ziek worden als je je zo koud en nat laat worden. En dat ijs is nog levensgevaarlijk ook!" Nou naar onze vaste overtuiging lag het die winter tot op de bodem, maar dat durfden we vanzelfsprekend niet te zeggen.
Terug naar de top